23 augustus 2026
Hamo kwam als student naar Nederland nadat hij uit Soedan was gevlucht. Nederland zag hij als een veilige plek om verder te gaan. “Ik dacht: dit is het land van dromen. Je kan hier precies doen wat je wilt. Maar ja… dat bleek iets ingewikkelder,” zegt hij lachend.

Hamo laat zien hoe inburgering vaak meer over procedures en trajecten gaat dan over mensen. Maar voor hij begint, zegt hij eerst iets anders: “Ik wil niet negatief zijn, want het hele ding is negatief. Dus als ik alles zeg, wordt het een negatief verhaal, en dat vind ik niet nuttig”. Zijn eerste jaren stonden vooral in het teken van verhuizen en wachten.
“Mijn leven begon hier met transfers,” grinnikt hij. “Moving, moving, moving, moving… op een gegeven moment dacht ik: oké, fuck it, ik bouw toch niks op, ik ga gewoon mee”. Vanaf het begin wilde Hamo de taal leren, maar er was een wachtlijst. “Ze zeiden: er is geen plek, het is vol. Dus ik begon zelf via YouTube, vrijwilligerswerk en gesprekken met mensen op straat. In Alkmaar boden ze met vrijwilligers van de kerk taallessen aan. Ik was er vier dagen per week tot ik weer moest verhuizen”.
“Ze zeggen: je mag kiezen. Uiteindelijk kozen zij alles”
Na vier jaar wachten kreeg hij een verblijfsvergunning en werd daarmee ook inburgeringsplichtig. Op dat moment beheerste hij al Nederlands op A2-niveau. Toch moest hij het volledige inburgeringstraject doorlopen vanaf het begin. “Ik wilde inburgeren toen ik net in Nederland was, toen was de mogelijkheid er niet. Toen ik al Nederlands geleerd had en de cursussen niet meer nodig had, werd het verplicht. Ik moest beginnen vanaf het begin, terwijl ik probeerde uit te leggen dat ik al A2 had”.
Tijdens een open dag dacht Hamo zelf zijn school en rooster te kunnen kiezen, maar in werkelijkheid had hij geen enkele invloed op de keuzes die gemaakt moesten worden. “Ik had een fulltimebaan en wilde graag in de avond taallessen volgen, zodat ik kon blijven werken. Ze zeiden: je mag kiezen. Uiteindelijk kozen zij alles: school, dagen, uren. Zero keuze”. Dat betekende in de praktijk minder werken en meer schikken.
“In Ter Apel leerde ik meer dan in welke klas dan ook”
“Mijn favoriete plek in Nederland? Ter Apel – haha, niemand gelooft dat. Maar serieus, ik heb daar echt veel geleerd”. In de asielprocedure verbleef Hamo langere tijd in Ter Apel. Daar werkte hij bij de Jumbo en in een verzorgingstehuis, kwam veel buiten en had dagelijks contact met mensen. “Ik kwam eigenlijk alleen om te slapen in het azc. Overdag werkte ik en sprak veel met de ouderen, we werden bijna vrienden. Dat heeft mij het meest geholpen om Nederlands te leren.” In het verzorgingstehuis praatte hij met alle bewoners, bezoekers en medewerkers. “Daar spreek je Nederlands zoals op straat, niet uit boeken. Praten met mensen is echt het beste. Ik vroeg de bewoners alles: welke muziek luister je? Welke films kijk je? En ik probeerde het allemaal!”
Het contrast met zijn huidige situatie is groot. In het verplichte traject zit hij vast in een klas waar hij weinig bijleert. Over zijn docent is hij wel enthousiast: “Tien van tien. Zij communiceert gewoon als mens. Ze wil echt dat je leert. Maar het systeem eromheen? Dat helpt alleen het systeem, niet mij”. Het probleem zit voor Hamo in het de bureaucratische inrichting en regelgeving van de inburgering: de verplichte trajecten, vaste uren en te weinig aandacht voor wat iemand kan en wil. “Waarom moet iedereen hetzelfde doen, ook al kan ik inmiddels al B1? Waarom kan ik niet sneller examen doen als ik dat al kan? Het is een systeem dat iedereen hetzelfde laat doen, zelfs als je al Nederlands spreekt”.
Hamo wilde van school veranderen omdat zijn klasgenoten het leerproces beïnvloedden. “Veel mensen praten Arabisch, terwijl ik Nederlands wil oefenen. Ook ligt hun niveau lager, waardoor zij van mij leren maar ik niet van hen. Om die reden wilde ik naar de VU, maar dat mocht niet. Ze zeiden dat mijn trajecturen al zijn ingezet voor NLtraining, dus ik moet het daar afmaken. Het voelt alsof ik tijd verlies terwijl iedereen ervoor betaald krijgt. Niemand raakt iets kwijt, alleen ik. Een businessmodel, echt”.
Grote woorden zonder uitleg
Het participatieverklaringstraject noemt Hamo “het stomste ding ooit”. Niet omdat de onderwerpen hem niets zeiden, maar omdat ze hem al bekend waren. Verkeersregels bijvoorbeeld, hij had op dat moment al zijn rijbewijs gehaald in Nederland. Toch moest hij bij de desbetreffende bijeenkomst aanwezig zijn zonder mogelijkheid voor vrijstelling.
“In die participatieverklaring staan veel grote woorden, zonder goede uitleg. Het wordt in de lessen niet echt besproken. We hebben geleerd om simpelweg te tekenen zonder echt begrip, zodat we door kunnen”. Terwijl het volgens Hamo belangrijke onderwerpen zijn die het waard zijn om over te praten. En dan vraagt hij: “Maar waarom geldt dit alleen voor ons? Ik ken Nederlanders, een echte Amsterdamse jongen, die dingen zegt of reageert op een manier waarvan ik denk: volgens mij moet jij inburgering doen, haha”.
Hamo’s frustratie gaat verder dan logistiek, roosters en de urennorm. Hij ziet een fundamenteel probleem: een systeem dat uitgaat van wantrouwen in plaats van vertrouwen, van controle in plaats van faciliteren. “Ik vind het een racistisch systeem. Nederland praat wel over gelijkheid en menselijkheid, maar de praktijk is anders. Het gaat niet om ons helpen, het gaat om ons in de gaten houden, ons klein houden. Alsof wij niet te vertrouwen zijn, alsof wij niet zelf kunnen nadenken”.
“Alsof we eerst iets moeten leren voordat we met andere Nederlanders kunnen leven. Maar waarom? Ik leerde Nederland kennen door te werken, door met ouderen in Ter Apel te praten, door gewoon te leven. Niet door in lessen te zitten waar ik niks bijleer”. Het systeem wordt ondertussen alleen maar strenger. “Ze maken het moeilijker, kijken naar omliggende landen en passen het aan, zonder te kijken naar de resultaten ervan. Niemand vraagt: werkt dit? Helpt dit mensen echt?”
Een systeem dat zichzelf bedient
“Ik heb altijd het gevoel dat ik behandeld word alsof ik heel dom ben. Alsof ik geen hersenen heb. Alsof ik geen hoofd heb. En dat ik pas geschikt ben als zij zeggen dat ik geschikt bent. Maar zijn de mensen die werken bij de overheid zelf ingeburgerd? Nee, waarschijnlijk niet. Maar wij moeten het wel”.
Na het afronden van het inburgeringstraject wil Hamo zo snel mogelijk naturaliseren. Naast de inburgeringscursussen werkt hij als zzp’er, maar hij voelt zich niet beschermd. “Ik heb geen certificaat, geen diploma. Ik zit in een land waar iedereen de kans heeft om alles te kiezen en alles te doen, maar voor ons helemaal niet”. Zijn droom om politieagent of marechaussee te worden voelt verder weg dan ooit. “Ik ben te oud voor studiefinanciering. Ik heb jaren van mijn leven verloren. Ik weet niet meer hoe ik verder moet. Het systeem maakt het ingewikkeld”.
Het probleem zit hem niet in het aantal mensen dat naar Nederland migreert, zegt hij. “In de politiek zeggen ze: we willen het moeilijker maken, want er komen te veel mensen. Maar het probleem is niet de mensen die komen. Het probleem is dat iedereen door hetzelfde systeem moet. Mensen zoals ik, die al op A2-niveau zaten aan het begin, moesten gewoon lang wachten om überhaupt te beginnen. Terwijl ik al een hoger niveau had”.
Hamo denkt dat het anders kan en anders moet. “Niet moeilijker maken, gewoon makkelijker. Het kan wél makkelijker, ook al is het geen gemakkelijk ding. Maar wat ik zou doen? Iedereen serieus nemen. Als je mensen serieus neemt, hoor je hun verhaal. Dan kun je samen kijken: waar moet jij zitten? Niet gewoon in een systeem stoppen. Veel meer aan de mensen zelf vragen: wat willen jullie? Werkt dit? Is dit goed voor jullie?”
De overheid moet volgens hem een stap terug doen. “Ga er zelf tussenuit. Want jij kent de inburgering zelf niet. Je bent niet ingeburgerd, dus je weet niet hoe het is om door dat traject te gaan. Waarom werken er geen mensen met een migratieachtergrond of ervaringsdeskundigen bij de inburgering? Zodat zij les kunnen geven en kunnen begeleiden op een manier die aansluit. Koppel mensen aan elkaar, en ga er zelf tussenuit, zodat mensen het met elkaar kunnen oplossen. Dat het anders kan, hebben we gezien met de mensen uit Oekraïne. Maar dan moet je het wel anders willen”.

Projectcoördinator





