13 juli 2026

Chela Lemmens en Samir Achbab

In gesprek met Jeremy Bierbach over inburgering, Europees recht en de zaak P. en S.

Beeld: Dave Pelham | Kunstwerk: Jesse Darling, Untitled (waiting room poster/municipal hospital series), 2017

Van Pittsburgh naar Amsterdam

Waar begon jouw verhaal met Nederland? Jeremy Bierbach opent al door te zeggen: “Ja, ik heb een eigen inburgeringsverhaal. Al meer dan 25 jaar geleden. Mijn motivatie was dat ik in Amsterdam wilde wonen.”

“Ik was op slag verliefd op Amsterdam. De eerste keer zag ik Amsterdam in 1994, tijdens een overstap onderweg naar Duitsland. Ik had zes uur de tijd en liep rond in het centrum. Ik dacht: Jeetje, ik ben naar de verkeerde stad gegaan. Ik had eigenlijk hier moeten zijn, niet in München.” Jeremy Bierbach, vreemdelingenadvocaat, voormalig ICTer en Amerikaan van geboorte, lacht als hij het vertelt. Zijn liefde voor Nederland begon tijdens de overstap. “Ik besefte al snel dat ik Nederlands kon lezen met mijn Duitse kennis.” 

Bierbach studeerde taalkunde aan de Georgetown University in Washington en specialiseerde zich in sociolinguïstiek, met Duits als minor. Zijn eerste jaar in het buitenland bracht hem naar de Ludwig-Maximilians-Universität in München, waar hij zich direct inschreef voor een cursus Nederlands. “Er was een fantastische docent, Carel ter Haar. Hij was de eenmansafdeling Neerlandistiek. Ik zit zelf nu midden in de verhuizing en keek laatst mijn aantekeningen door van de allereerste les Nederlands op 8 november 1994.”

Na zijn studie maakte Bierbach carrière in de internetindustrie, en werkte onder meer bij Apple in de San Francisco Bay Area. “Het leven in Amerika zinde me niet. Dat hele ongebreidelde kapitalisme. Niets voor mij.” Toen de aandelenmarkt instortte en George W. Bush werd verkozen, solliciteerde hij bij een start-up in Amsterdam. Hij vloog erheen; zij betaalden zijn vlucht en eerste drie nachten in een hotelkamer. Twee weken later ging het bedrijf failliet. “Ik zat echt helemaal berooid in Amsterdam. Geen cent, geen verblijfsvergunning, geen Sofinummer. Ik kon geen bankrekening openen.”

De ontdekking van het vreemdelingenrecht

Hoe ben je vanuit die precaire situatie in de rechtszaal in Luxemburg beland?

“Ik vond een nieuwe werkgever die een verblijfsvergunning voor mij aanvroeg. Na zeven, acht maanden was dat rond. Na een paar maanden werken, raakte ik de baan alweer zat. Ik stopte en zegde gewoon mijn baan op. Iedereen om mij heen zei: ben je gek? En inderdaad: ik wist niet wat ik deed. Ik wist totaal niet dat mijn verblijfsvergunning aan die baan verbonden was.” Om zijn verblijf te regelen trouwde Bierbach sneller dan nodig met zijn partner, een Nederlander. “Dat bleek een goede zet, want daarna kon ik als freelancer werken en ontdekte ik dat ik ook recht had op studiefinanciering. Eind 2003 begon ik met de studie Nederlands Recht aan de UvA.”

Het was bij de rechtswinkel Migranten, waar hij als vrijwilliger werkte, dat hij zijn passie voor vreemdelingenrecht ontdekte. “Opeens begreep ik hoe mijn eigen verhaal in elkaar zat. Al die regeltjes en hoe die regels aan elkaar staken. De hiërarchische verhouding tussen de Vreemdelingenwet, het Vreemdelingenbesluit en de -circulaire. Dat is allemaal staatsrecht in de kern. En dat vind ik prachtig.”

Bierbach deed zijn master in publiekrecht: staats- en bestuursrecht. Na zijn afstuderen ging hij aan de slag bij De Taalstudio. “In die periode speelde taalanalyse een steeds belangrijkere rol binnen het asielrecht, bijvoorbeeld bij de vraag of iemand in aanmerking kwam voor subsidiaire bescherming omdat die uit een oorlogsgebied kwam. De IND maakte regelmatig gebruik van taalanalyses om de herkomst van asielzoekers te beoordelen. De Taalstudio werd in zulke zaken vaak ingeschakeld door vreemdelingenadvocaten om contra-expertise te leveren. Om te betogen dat bepaalde uitdrukkingen of accenten wél voorkomen bij sprekers uit een bepaald land of gebied.” Bierbach schreef de rapporten waarin hij de bevindingen van de linguïsten uiteenzette en toelichtte voor de vreemdelingenadvocaten.

Omdat hij niet direct aan de slag kon als advocaat-stagiair, richtte Bierbach een eigen adviesbureau op. “Ik begon uit het niets. Ik bereidde aanvragen voor, voor mensen die bij EU-partners wilden verblijven, voor zelfstandige ondernemers, met name Amerikanen. En ik was ook een van de eerste immigratiejuristen die actief was op internet. De advocaten die er toen waren, waren van de oude stempel. Je kon ze niet mailen.” Via online fora ontmoette hij zijn eerste grote cliënten, de vrouwen die bekend zouden worden als P en S.

De zaak P. en S.: een slag voor het Europese Hof

“Twee mensen stelden hun probleem op een forum. Allebei hadden ze een permanente verblijfsvergunning – de status van langdurig ingezetene – en toch ontvingen ze een brief van hun gemeente dat ze inburgeringsplichtig waren en anders een boete konden verwachten.” 

Bierbach herkende het probleem: de nieuwe Wet inburgering 2007 maakte geen uitzondering voor mensen die al jarenlang rechtmatig in Nederland woonden. Ze procedeerden allebei tegen de mededeling dat zij inburgeringsplichtig waren.” Dat vond ik onzin. En zij ook.”

“Mevrouw S was een hoogopgeleide bankmedewerker uit Nieuw-Zeeland, inmiddels woonachtig in Amstelveen. Mevrouw P was een Amerikaanse die al sinds 2001 bij haar Nederlandse partner woonde. “Voor mevrouw P was het echt existentieel. Zij was hier naartoe gekomen omdat Nederland een van de eerste landen was waar zij als lesbische vrouw met haar partner kon leven. Ze had traumatische ervaringen in de VS. En nu voelde ze zich in Nederland onveilig.” P sprak praktisch Nederlands en werkte als schoonmaakster in een ziekenhuis. Maar door haar beperkingen en haar psychische achtergrond lukte het haar niet het examen te halen. “Voor haar was het allemaal zo dramatisch, al die bezoeken aan het gemeentehuis. Ze stelde zich altijd op het standpunt van: “ze moeten mij praktisch beoordelen. Kijk, ik heb een baan. Ik kan me wel redden. Waarom vallen ze mij lastig met het behalen van een examen?”

Het werd ook echt een existentiële paniek voor haar. Ze voelde echt alsof ze weggepest werd uit Nederland en haar werd verteld: jij moet een voldoende halen voor dit examen, anders moet je oprotten uit Nederland. En zij was een alternatief aan het bedenken, van, ja, moet ik nu met mijn vrouw over de grens van België verhuizen.”  

Bierbach deed in beide zaken een beroep op de Europese Richtlijn langdurig ingezetenen, die gelijke behandeling vereist. Hij had daarvoor steun gevonden bij emeritus-hoogleraar Kees Groenendijk. “Hij had in 2003 of 2004 een artikel gepubliceerd in het tijdschrift Asiel & Migrantenrecht: let op advocaten, er is net een richtlijn in werking getreden, en Nederland heeft die nog niet omgezet. Die richtlijn heeft rechtstreekse werking.” Bierbach had het artikel gelezen als jonge vrijwilliger bij de rechtswinkel. “Ik had de rechtstreekse werking van die richtlijn toen al uitgetest door een verblijfsvergunning langdurig ingezetene aan te vragen voor een goede vriend van mij, een Amerikaanse kunstenaar die al twintig jaar in Nederland woonde. Het werkte. Groeneveld adviseerde mij later dat artikel 11 van de langdurig ingezetenenrichtlijn het recht op gelijke behandeling regelt voor derdelanders die de status van langdurig ingezetene hebben verkregen. Zij moeten dan gelijk worden behandeld met EU-burgers.”

De hoger beroepen van P. en S. tegen de uitspraken van de rechtbanken Breda en Amsterdam belandden bij de Centrale Raad van Beroep en werden samen behandeld. “De dag van de zitting daar was een druilerige dag. Geen van de gemachtigden van de gemeenten kwam opdagen. Maar wat je toen al zag: de gemeente boeit het eigenlijk niet zo heel veel. Dat is ook wel een apart aspect van het neerleggen van de handhavingsverplichting bij gemeenten. De gemeente boeit het eigenlijk niet. Dat zie je nu ook nog steeds.” De CRvB besloot prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. Bierbach was op dat moment nog steeds geen advocaat. “De prejudiciële vragen werden gesteld twee maanden voor mijn beëdigingsdatum, maar op het moment van de zitting op 5 november 2014 in Luxemburg was ik inmiddels advocaat.” Hij bereidde zich intensief voor samen met Groenendijk en Tineke Strik van de Radboud Universiteit. “In Nijmegen bereidden wij samen mijn schriftelijke opmerkingen namens P. en S. voor. Gelijke behandeling, gelijke behandeling, gelijke behandeling: dat was ons standpunt..”

Een arrest met twee gezichten

Het Hof van Justitie gaf in 2015 in de zaak P & S geen volledig gelijk aan Bierbach, maar het oordeel was genuanceerder dan het kabinet wilde toegeven. “Het kabinet kon triomfantelijk zeggen: het Hof zegt dat een inburgeringsplicht mag, maar ze negeerden de ‘maar’. Het Hof zei namelijk ook: de manier waarop Nederland hier invulling aan geeft, dat vinden wij in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Boetes die herhaaldelijk kunnen worden opgelegd. Inburgeraars die zelf de kosten van hun integratiecursus moeten betalen.”

Bierbach herinnert zich een scherp moment tijdens de zitting. “De voorzitter van de kamer, rechter Silva de la Puerta, vroeg aan de vertegenwoordiger van de Nederlandse staat: het examen wordt toch gratis afgelegd? En de agent van Nederland zei: nee, dat moeten ze ook betalen. Silva de la Puerta keek zo vies. Echt letterlijk zo. Dat beeld staat me bij.”

Het kabinet trok geen lessen uit de uitspraak van het Hof. “Ze dachten zeker: het gaat om een gesloten groep mensen. Ze zullen sowieso verdwijnen in de loop der jaren, want iedereen moet nu het examen behalen om in eerste instantie langdurig ingezetene te worden. Het kabinet heeft gewoon niet geluisterd.” Die houding zou uiteindelijk leiden tot een lange reeks Europese terechtwijzingen: K. en A. (2015), C. en A. (2018), K. (2018) en uiteindelijk het Keren-arrest van 2025.

Het nieuwe stelsel: dezelfde fouten?

Bierbach is weinig te spreken over de Wet inburgering 2021 (Wi2021). “Dat is echt een ramp. Ik was aanwezig bij een presentatie in 2019, waarbij een hoge ambtenaar van het ministerie het voorstel toelichtte. Mijn eerste gedachte was: dit lijkt op het creëren van een soort Sovjetische superstaat. Enorm ingewikkelde structuren, stromingen, routes. En ik dacht: als ik wetgever was, had ik gezegd: vereenvoudig het. Maak het transparanter, voorspelbaarder. Geef mensen rechtszekerheid.”

Eén van zijn grootste bezwaren is de tweedeling die de wet nog steeds aanbrengt tussen categorieën migranten. Gezinsmigranten die bij Nederlanders verblijven en vluchtelingen worden onderworpen aan een streng regime, terwijl kennismigranten en arbeidsmigranten (en hun gezinsleden) vrijgesteld zijn. “Dat vind ik ronduit racistisch, de categorieën van migranten in de wet.” En het ademt hetzelfde gedachtegoed als in de jaren zestig en zeventig: “het idee dat arbeidsmigranten niet gericht zijn op langdurige vestiging. Ze komen alleen hun werk doen en geld verdienen en gaan dan toch weer weg. Terwijl die mensen hier al acht jaar wonen, hun kinderen hier naar school gaan, een huis hebben.”

Tegelijk is Bierbach ook kritisch op inburgeraars die uit westerse landen komen, gezinsmigrant zijn, voor multinationals werken en dan zeggen: “het is zo oneerlijk, waarom moet ik Nederlands leren. Ik heb een baan waar Engels de taal is op de werkvloer, ik heb het toch niet nodig.” “Ik ben heel eerlijk met cliënten die zeggen: waarom moet ik dat? Ik zeg: ik weet dat je Nederlandse partner geen Nederlands met je spreekt. Ik weet dat je geen Nederlands hoeft te spreken op je werk. Je hebt een punt, maar weet je wat ook een punt is? Kun je met de bejaarde vrouw boven je praten als ze hulp nodig heeft? Kun je de krant lezen zodat je kunt deelnemen aan het democratische debat? Nederlands is niet de moeilijkste taal ter wereld. Dat is een mythe die Nederlanders zelf propageren.”

Toch ziet hij een onverschilligheid opnieuw de kop opsteken. “Ik zie de fouten van het verleden zich herhalen. Enerzijds is het wel fijn dat niet alles via anonieme brieven van DUO gebeurt, dat had je met de Wet inburgering 2013, je kreeg gewoon een brief uit Groningen. Dat persoonlijke gesprek bij de gemeente is een verbetering.” Maar verder is hij weinig te spreken over de Wi21. “Bij een PIP-besluit kun je daar nog iets mee. Maar als verschillende gemeenten anders tegen aantallen aankijken, heb je een probleem met rechtszekerheid en consistentie. Ik vind het geen verbetering.”

Een fundamenteel bezwaar blijft de gebrekkige aansluiting bij de werkelijkheid van inburgeraars. “Fout nummer één was natuurlijk om het taalniveau te verhogen naar B1 voor iedereen. Waarom wordt er zo weinig rekening gehouden met verschillende talenten, opleidingsniveaus en alfabetisme? Het lijkt allemaal in strijd te zijn met de arresten van het EU-Hof. En impliciet geeft het kabinet zelf toe dat het niet deugt, want waarom is het vereiste voor naturalisatie en langdurig ingezetenschap nog steeds niet verhoogd naar B1, als dat niveau voor inburgering wel wordt geëist? Weet je waarom? Omdat hun wetgevingsjuristen en ambtenaren het waarschijnlijk hebben uitgezocht en ze hebben geen goede manier gevonden om dat conform het EU-recht te doen. Want het raakt rechtstreeks aan de langdurig ingezetenen-richtlijn, en de Unierechtelijke verplichting om net niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk te maken om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene.”

De echte boodschap van het beleid

Voor Bierbach gaat het inburgeringsbeleid over meer dan taal. “Ik heb nooit het gevoel gehad dat het inburgeringsbeleid daadwerkelijk gericht is op integratie. In alle bepalingen zie ik alleen maar de geest van bestraffen, moeilijk maken en rancune. Ik zie de geest van politici die alleen maar stemmen willen winnen door graag te etaleren hoe hard ze zijn voor migranten. Ik zie geen liefde, geen welwillendheid. Als je mensen wilt verplichten om te leren, doe je dat niet door een pistool tegen hun slaap aan te houden. En dat doe je ook niet door hen ook nog op kosten te jagen, voor zelfs het behalen van een examen.”

“Het inburgeringsbeleid ademt de geest van wantrouwen. Het ademt het idee dat alle generaties migranten tot nu toe zich hebben ontworsteld aan de noodzaak om Nederlands te leren, dat zij dat niet naar behoren hebben gedaan, en dat we toekomstige migranten daarom echt gaan dwingen. Alsof dat helpt… En ja, dat is eigenlijk een soort wantrouwen naar die personen toe, dat zij het sowieso niet zouden willen of niet zouden willen investeren in het leren van de taal. En het zegt ook iets, het ademt ook een bepaalde houding: alles wat aan migranten als vreemdelingen wordt opgelegd in Nederland, elk immigratiebeleid, elk inburgeringsbeleid, lijkt ook geïnspireerd door het idee dat mensen met een migratieachtergrond niet zullen deugen, omdat wij met die generatie hebben nagelaten hen genoeg te dwingen om geïntegreerd te zijn in de samenleving. Dat zag je duidelijk terugkomen met de Maccabi-rellen.” 

De tweedeling tussen gezinsmigranten en vluchtelingen enerzijds en kennismigranten anderzijds is voor Bierbach symptomatisch. “Die eersten worden als minder beschouwd. Je weet dat je ze toch niet kan uitzetten, dus je kan ze wel dwingen door middel van boetes. En die expats houd je een hand boven het hoofd. Maar door tegen hen te zeggen: jij hoeft geen Nederlands te leren, zeg je ook: jij bent hier maar tijdelijk en gaat straks weer weg. Maar zij krijgen de boodschap: u bent superieur omdat u meer geld verdient, u hoeft dat niet te doen. Dan hebben ze ook geen motivatie om het Nederlands te leren. Toch zijn ze heel kwetsbaar: heel vaak bellen kennismigranten mijn kantoor omdat ze langer dan vijf jaar in Nederland verblijven, maar opeens hun baan verliezen en er niet in slagen een nieuwe te vinden. Als ze het inburgeringsexamen hadden behaald hadden ze permanent hier mogen verblijven, maar dat wisten ze niet. Ze zeggen: ‘maar ik heb hier een huis gekocht, mijn kinderen gaan hier naar school.’ ‘Het spijt mij,’ moet ik zeggen, ‘dat is niet genoeg om hier te mogen verblijven.’”

De conclusie die hij trekt is scherp: “De algehele boodschap is dat het kabinet het niet belangrijk acht dat mensen Nederlands leren. Het lijkt alsof de Nederlandse taal alleen van belang wordt geacht voor de autochtone Nederlander die de taal met de paplepel ingegoten krijgt, en dat alle andere mensen die de taal machtig willen worden, niet welkom zijn.”

Die houding heeft volgens Bierbach ook een culturele kant. “De meeste moedertaalsprekers zijn niet gewend dat nieuwe burgers de taal écht leren. Ze denken: oh, leuk dat jullie het proberen, maar laten we deze transactie even afmaken in het Engels. En tegelijkertijd is er weinig tolerantie voor buitenlandse accenten. Als iemand met een buitenlands accent Nederlands spreekt op het journaal, krijg je een ondertiteling. Maar als je een boer bent uit Groningen, niet. Dat is een vorm van racisme.”

Hij ziet daarin een opvallende paradox. “Men vindt het blijkbaar niet belangrijk dat anderen de taal leren en tegelijkertijd is er een heel disciplinerend apparaat opgetuigd om het Nederlands te leren, met B1 als taalniveau. Maar degenen die onderworpen zijn aan dat apparaat, ervaren het als een straf. Men bedoelde met de Wi2021 de scherpe randjes ervan af te halen, maar iedereen ervaart het nog steeds als een straf.”

De ideale wet: meer dan alleen scherpe randjes

Voor Bierbach is de oplossing niet een kwestie van bijschaven. “Het ideale is een totale herschikking van het inburgeringsbeleid, niet lik op stuk, maar echte verbetering. Dus niet alleen de scherpe randjes eraf halen.”

Zijn ideale wet begint met een fundamentele ommekeer: afschaffing van de inburgeringsplicht als straf, maar handhaving van inburgeringsvereisten voor permanente verblijfsvergunning en naturalisatie met ruimte voor geleverde inspanningen. “Gratis taallessen voor iedereen, ongeacht verblijfsstatus. Zelfs voor Nederlanders die de taal niet goed beheersen.” En meer creativiteit in de uitvoering. “Als je bang bent dat mensen misbruik maken van die gratis voorzieningen, maak bijvoorbeeld de afspraak dat iemand belooft 80% van de cursus bij te wonen, anders betaalt die de kosten terug. Dat is toch niet zo ingewikkeld?”

Maar Bierbach is eerlijk over de grenzen van wetgeving. “Een groot deel van het probleem is politiek. Maar een groot deel is ook cultureel. Nederland beschouwt zichzelf nog steeds niet als een land van aankomst.”

De politieke wil ontbreekt, maar ook de bestuurlijke visie. Koolmees, zo zegt Bierbach zonder omhaal, was niet de juiste man voor deze wetgeving. “het was wetgeving die bekokstoofd werd door ambtenaren en hij wilde gewoon politieke punten scoren. Ik kan me niet voorstellen dat hij zich daadwerkelijk erin verdiepte en dat hij daadwerkelijk een politieke mening had in die wetgevingsprocedure. Het leek alsof hij de wet alleen maar zo snel mogelijk door het parlement wilde loodsen, zodat hij weer naar buiten kon om een peuk te roken.” Hij lacht, maar zijn conclusie is bloedserieus. “Mijn conclusie over al deze wetgeving is dat men niet daadwerkelijk wil dat mensen Nederlands leren. Het wordt opzettelijk niet bevorderd… sterker nog, het wordt opzettelijk onaantrekkelijk gemaakt. Ik heb nog steeds het gevoel dat het enigszins een kwestie van wegpesten is.”

Hij verwijst opnieuw naar mevrouw P. “Zij zei: op een basisniveau begrijp ik dat ik mijn verblijfsvergunning niet verlies. Maar zo wil ik ook niet leven. Als ze blijven drammen, gaan ik en mijn vrouw naar België verhuizen. Ze voelde zich weggepest. En dat is precies de boodschap die het beleid uitzendt.”

“Ik zie impliciet dat het niet wordt bevorderd als een manier om mensen te beschermen. Het lijkt alsof men niet wil dat er te veel mensen in de wereld zijn die Nederlands spreken. Want dat vermenselijkt mensen. Het is veel makkelijker om mensen uit te zetten als ze geen Nederlands spreken.”

Hij besluit met een oproep aan politici. “Waarom moet het altijd zo zuur zijn? Waarom zo gevangenisachtig, zo surveillanceachtig? Ik wil graag dat iemand bedenkt hoe je dat enthousiasme creëert dat ik voelde toen ik als 19-jarige voor het eerst door Amsterdam liep. Met deze taal kan ik dingen bereiken. Met deze taal kan ik snappen hoe dingen in elkaar zitten. Meer liefde. Dat is eigenlijk alles wat het beleid nodig heeft.”

Over Jeremy Bierbach:

Jeremy Bierbach is advocaat gespecialiseerd in het vreemdelingenrecht. Geboren in Erie, in de Verenigde Staten, en opgegroeid in Pittsburgh, verhuisde hij in 2001 naar Amsterdam, waar hij Nederlands recht studeerde aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Sinds 2014 is hij advocaat en richt hij zich op zaken op het snijvlak van Nederlands vreemdelingenrecht en Europees migratierecht, met bijzondere expertise in verblijfsrecht en gezinsmigratie. In 2015 promoveerde hij bij de UvA op een proefschrift over het EU-burgerschap. Na jarenlang deel te hebben uitgemaakt van Franssen Advocaten richtte Jeremy in januari 2026 Bierbach Advocaten op. Naast zijn praktijk verzorgt hij cursussen en publiceert hij regelmatig over Europees migratierecht.

Deel dit

Lees ook