31 augustus 2025

Mohammed kwam als hoogopgeleide arbeidsmigrant uit Tunesië naar Nederland, waar hij al snel zijn weg vond. Zijn inburgering verliep soepel, maar hij ziet duidelijk de ongelijkheid tussen kennismigranten en vluchtelingen. Volgens hem leer je Nederland pas echt kennen door vanaf dag één mee te doen – via werk, taal en dagelijks contact en niet via een verplicht traject en examen.

Fotograaf Julian Sarmiento

In oktober 2017 arriveert Mohammed in Nederland. Als hoogopgeleide arbeidsmigrant uit Tunesië kan hij direct aan de slag bij Leaseweb in Amsterdam. In eerste instantie woont hij bij een vriend en na anderhalf jaar lukt het hem zijn eigen woning te vinden. Na een jaar bij Leaseweb te hebben gewerkt, begint hij bij Marktplaats, waar hij direct een vaste aanstelling krijgt. Daarmee wordt ook zijn verblijfsvergunning met vijf jaar verlengd. Deze aaneengesloten periode van werk en verblijf maakt het mogelijk om na vijf jaar een aanvraag in te dienen voor permanent verblijf of het Nederlandse staatsburgerschap.

Mohammed’s inburgeringstraject verloopt relatief soepel. Zijn eerste werkgever vergoedde een Nederlandse taalcursus door deze op kantoor aan te bieden. Zijn tweede taalcursus betaalt hij zelf bij UvA Talen. Al na zes weken taalles slaagt hij voor het taalexamen op niveau A2 – een vereiste voor naturalisatie. Ook het inburgeringsexamen weet hij succesvol af te leggen. In praktische zin lijkt alles goed geregeld: hij kan werken, wonen en zich verder ontwikkelen. Maar wanneer hij terugblikt op het inburgeringsexamen, heeft hij gemengde gevoelens. Wat Mohammed vooral opvalt, is dat het migratie en inburgeringssysteem verschillende maatstaven hanteert, waarbij nieuwkomers strenger worden beoordeeld dan mensen die hier geboren zijn.

Vragen die meer zeggen over het systeem dan over de samenleving

Wat hem bijblijft, zijn de merkwaardige vragen in het examen. “Ik herinner me een vraag over twee kinderen die ruzie hebben. Wat moet je dan doen? De opties waren: de kinderen slaan, de politie bellen of met de ouders praten.” Ook zijn er vragen over omgang met de LHBTI-gemeenschap en over hoe je moet reageren op een vrouw in een kort rokje. Voor Mohammed voelt het alsof het examen ontworpen is om ‘de vreemde’ te civiliseren. “Deze vragen zeggen niets over mijn kennis van Nederland. En bovendien worden deze vragen niet gesteld aan mensen die hier geboren zijn, hoe racistisch, seksistisch of homofoob ze ook mogen zijn. Zij hoeven dit gesprek niet aan te gaan. Als je hier geboren bent, maakt het allemaal ineens niet meer uit.”

Volgens Mohammed draagt het examen maar weinig bij aan een goede start of dialoog. “Als je racistisch, seksistisch of homofoob bent, kun je de ‘juiste’ antwoorden geven zonder daar iets bij te voelen. Het verandert niets aan iemands mindset.” Wat hij mist, is het echte gesprek over waarden, “een gesprek dat we als hele samenleving zouden moeten voeren, in plaats van steeds de mensen aan te wijzen die toevallig binnen de ‘verkeerde’ grenzen zijn geboren, vaak grenzen die ooit door de Fransen en Britten zijn getrokken.”

Een systeem van ongelijkheid

Wat Mohammed vooral opvalt, is de ongelijkheid in het migratie- en inburgeringssysteem. Als kennismigrant kreeg hij direct de ruimte om te werken, de Nederlandse taal te leren via zijn werkgever en om een leven op te bouwen. Dat staat in schril contrast met de ervaringen van mensen in de asielprocedure, zoals vrienden van hem. Zij moeten vaak maanden of jaren wachten voordat ze mogen werken. En als ze eenmaal een status hebben, moeten ze een verplicht inburgeringstraject volgen. Deze verplichtingen maken het lastig om het met werk te combineren. Voor hem toont dit de ongelijkwaardigheid van het systeem.

Daarom pleit Mohammed voor een gelijkwaardig systeem, waarin niet alleen hoogopgeleide zogenoemde “witteboordenberoepen”, zoals tech, finance en HR–mensen, maar ook praktisch opgeleiden de kans krijgen om op basis van werk naar Nederland te komen en om mensen in de asielprocedure gelijk te betrekken en mee te laten doen: “Juist door mensen vanaf het begin te laten meedoen in de samenleving, via bijvoorbeeld werk, groeit hun betrokkenheid en binding. En als de taalcursus via je werk geregeld wordt, is dat veel beter te combineren met je dagelijkse leven.”

De samenleving leer je kennen door erin mee te draaien

Mohammed ervaarde dat hij de Nederlandse samenleving pas echt leerde kennen door er actief aan deel te nemen. Volgens hem bestaan er verschillende gewoonten en culturele codes, die je niet leert via een vooraf uitgestippeld traject. Dat vraagt om meedoen in het dagelijks leven. “Ik woonde en werkte hier al jaren voordat ik naturaliseerde. Door vanaf het begin onderdeel te zijn van de samenleving, kon ik Nederland veel beter leren kennen dan via het inburgeringsexamen. Dat examen heeft niets toegevoegd aan mijn begrip van de Nederlandse samenleving.”

Wat volgens hem wel werkt, is mensen vanaf dag één laten meedoen. “Meedoen is niet iets wat je uit een boek leert of toetst met een multiplechoicevraag. Het gebeurt in de praktijk; op je werk, op straat, in contact met collega’s, buren, klanten. Laat mensen hun plek innemen, geef ze ruimte, en dan volgt de rest vanzelf.”

Deel dit

Lees ook