12 oktober 2021

Het kabinet heeft aangekondigd dat de taaleis voorlopig niet verhoogd zal worden voor personen die een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’ en een verblijfsvergunning voor ‘onbepaalde tijd’. Dit betekent dat personen die onder de huidige Wet inburgering vallen en in aanmerking willen komen voor een sterker verblijfsrecht dan de tijdelijke verblijfsvergunning waarop ze op dit moment in Nederland verblijven voorlopig een inburgeringsexamen kunnen afleggen op het taalniveau A2. Dit geldt ook voor personen die in aanmerking willen komen voor Nederlanderschap door naturalisatie.

De nieuwe Wet inburgering treedt in werking op 1 januari 2022 en brengt veranderingen teweeg in de juridische positie van inburgeraars. Eén van de veranderingen betreft het taalniveau wat moet worden behaald om te voldoen aan de inburgeringsplicht of het inburgeringsvereiste voor het verkrijgen van een (sterker) verblijfsrecht: deze verandert van A2 naar B1 (art. 7 lid 1 onder a Wet Inburgering 2021). Onder de nieuwe wet worden drie ‘routes’ geïntroduceerd: de onderwijsroute (bedoeld voor jongeren tot 28 jaar die aangeven een opleiding in het beroeps- of wetenschappelijk onderwijs te willen volgen), de zelfredzaamheidsroute (bedoeld voor inburgeraars die niet in staat zijn om het inburgeringsexamen binnen de gestelde termijn te behalen) en de algemene B1-route (art. 6 lid 1 onder c Wet Inburgering 2021).

De Wet is van toepassing op nieuwkomers die vanaf 1 januari 2022 inburgeringsplichtig worden. Andere inburgeraars vallen onder de huidige inburgeringswet.

Onder de nieuwe wet blijft de inburgeringsplicht van toepassing op personen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven (art. 3 lid 1 Wet Inburgering 2021). Het gaat hierbij bijvoorbeeld om

  • asielstatushouders en hun gezinsleden (art. 2.2 lid 3 Ontwerp Besluit inburgering 2021);
  • gezinsleden van werkende migranten met een reguliere verblijfsvergunning (art. 3.5 lid 4 Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000);
  • niet-werkende EU-burgers die langdurig in Nederland blijven, (art. 3.4 lid 1 onder b jo. 3.29a Vb 2000)
  • personen die verblijven op niet-tijdelijke humanitaire gronden (art. 3.4 lid 1 onder s jo. 3.51 Vb 2000); en
  • personen aan wie een verblijfsvergunning is verleend op grond van een ministeriële regeling (art. 3.4 lid 4 Vb 2000) of op grond van een schrijnende situatie (art. 3.6a lid 1 Vb 2000) voor zover niet bepaald is dat de verlening van deze vergunning tijdelijk is in de zin van artikel 3, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit.

Voor deze personen vormt het uitgangspunt dat ze onder de nieuwe Wet inburgering aan het taalniveau B1 zullen moeten voldoen bij het afleggen van een inburgeringsexamen.

Er zijn verschillende personen die in aanmerking kunnen komen voor een sterker verblijfsrecht. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om familie- of gezinsleden van personen met een niet-tijdelijk verblijfsrecht (zoals hierboven omschreven) die al vijf jaar in Nederland verblijven en hun verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd