10 mei 2020

Plenaire_zaal_Tweede_Kamer

Gemeenten krijgen vanaf 1 juli 2021 eindelijk weer de regie over de inburgering. Om deze regierol goed uit te kunnen voeren is het nodig dat de taken van gemeenten en de financiële middelen zijn gedefinieerd. Vorige week kwam het nieuws dat SZW en de VNG tot bestuurlijke afspraken zijn gekomen over de Veranderopgave inburgering (VOI).

In de brief aan de Kamer staat dat “de afspraken in goede sfeer tot stand zijn gekomen.” De afspraken hebben betrekking op drie onderdelen. Stichting Civic legt ze onder de loep en plaats enige kanttekeningen.

  1. Financiële afspraken om taken en middelen voor gemeenten in balans te brengen.

Minister Koolmees en de VNG hebben nieuwe afspraken gemaakt over de financiële en inhoudelijke kaders van het nieuwe inburgeringsstelsel. Gemeenten krijgen vanaf 2021 € 35,2 mln. per jaar extra voor hun taken in het nieuwe stelsel. Goed nieuws zou je denken. Het is wel opvallend dat dit bedrag afwijkt van het kostenonderzoek van bureau Anderson Elfers Felix. Zij becijferden een bedrag van € 42,3 mln. Naast de structurele middelen stelt SZW wel eenmalig € 36,5 mln. beschikbaar voor de invoeringskosten van gemeenten voor het nieuwe stelsel. De vraag is wel of dit voldoende is.

  1. Inhoudelijke afspraken die de regierol van gemeenten verstevigen.

Het is goed dat SZW en de VNG inhoudelijke afspraken hebben gemaakt over de regierol die de gemeenten gaan krijgen. In het nieuwe stelsel zal op basis van een ‘brede’ intake ‘de taalleerbaarheid’ van de inburgeraar worden ingeschat om vervolgens te bepalen hoe het ‘persoonlijk inburgeringsplan’ (PIP) en de inburgeringsplicht van de inburgeraar eruit zal zien. Besloten is dat gemeenten zelf het moment kiezen voor afname van de leerbaarheidstoets als onderdeel van de brede intake. Wij vinden dat er op dit moment nog te weinig duidelijkheid is omtrent de leerbaarheidstoets. Hoe, wanneer precies en door wie wordt deze uitgevoerd? In de memorie van toelichting wordt geëxpliciteerd dat gemeenten op termijn en onder voorwaarden de leerbaarheidstoets zelf kunnen afnemen. Er is echter nog niet duidelijk om welke voorwaarden en termijnen het gaat. Wij zijn van mening dat er genoeg tijd door gemeenten moet worden genomen om de leerbaarheid van de inburgeraar in kaart te brengen. Deskundigen pleiten ook dat er meerdere ijkmomenten nodig zijn om de leerbaarheid van inburgeraars te kunnen meten. De gemeente Amsterdam experimenteert al met een Opstartklas om de leerbaarheid van inburgeraars goed vast te kunnen stellen.

We vinden het positief dat de termijn voor het opstellen van het PIP is verruimd van 6 naar 10 weken. In eerste instantie was Stichting Civic ook kritisch over de statische insteek van de leerroutes. Ook is inmiddels bepaald dat de termijn voor het schakelen tussen routes wordt verruimd van één naar anderhalf jaar. Een gedegen leerbaarheidstoets is ook hierom van groot belang. Schakelen is goed, maar in het verkeerder traject terecht komen, is hoe dan ook tijd- en motivatieverlies.

Ook hebben wij vraagtekens bij de zaken waar statushouders een boete krijgen wanneer zij niet binnen de gestelde termijn inburgeren. SZW stelt dat DUO bij deze beslissing, naast objectieve maatstaven, óók de input van de gemeente moet laten meewegen. We zijn benieuwd op welke wijze DUO straks gaat toetsen of inburgeraars aan de voorwaarden voldoen en wanneer zij boetes gaan uitdelen. We vragen ons daarbij af welke rol de gemeente hierin speelt en in welke mate DUO en de gemeenten straks gaan samen werken.

  1. Procesafspraken over randvoorwaarden.

Daarnaast heeft SZW ook met VNG procesafspraken over de randvoorwaarden van het nieuwe stelsel gemaakt. Wij lichten hierbij vooral de positie van de ondertussengroep uit. Voor deze groep (inburgeringsplichtige asielstatushouders die niet kunnen profiteren van het nieuwe stelsel) is vanaf 2021 incidenteel een totaalbedrag van € 25,5 mln. beschikbaar gesteld. SZW heeft daarbij aangekondigd om een deel van de middelen in te zetten voor de meest kwetsbare groep: de ELIPs (ELIP: Einde Lening nog Inburgeringsplichtig). Onduidelijk is echter nog hoe dit bedrag besteed gaat worden. Bovendien werpt de datum van juli 2021 de vraag op: wat te doen met de ELIP inburgeraars die tussen wal en schip vallen? Wij vragen ons af wat er voor deze groep tot 1 juli 2021 wordt gedaan? In de bestuurlijke afspraken staat beschreven dat SZW dit de komende tijd gaat “monitoren en zo nodig het gesprek gaat hervatten”. Wij zijn van mening dat voor inburgeraars die tussen 2013-2021 Nederland zijn binnengekomen/gaan binnenkomen, de boetes en verblijfsrechtelijke consequenties opgeschort dienen te worden, nu meermaals is bewezen dat het huidige beleid niet werkt. Lees hier onze kamerbrief over deze groep.

We zijn te spreken over het feit dat gemeenten en SZW deze groepen zullen blijven volgen door middel van monitoring en evaluatie. Ook is aangekondigd dat de ondersteuning van deze groep wordt meegenomen in de evaluatie naar de betaalbaarheid van het nieuwe stelsel na drie jaar. In deze evaluatie worden ook de benodigde ondersteuning voor gezinsmigranten en de prestatiebekostiging onderzocht.

Stichting Civic blijft kritisch bezorgd over hoe deze groep vooruit geholpen wordt. Mooi dat er gemonitord wordt en geld beschikbaar is voor een goede uitstroom. Maar dit geld wordt pas per 2021 beschikbaar gesteld en dat maakt dat er weinig concrete handvaten wordt aangereikt om de huidige gedupeerden te helpen.

Samenvattend

Fijn dat de impasse tussen VNG en SZW is doorbroken. Het is goed dat er duidelijkheid over de financiële middelen bestaat. Het is jammer dat nog onduidelijkheid is hoe de gelden precies zullen worden besteed. Dit blijft afwachten.

We hopen dan ook dat de gemeenten tijdig aan de slag gaan om zich goed voor te bereiden op de inrichting van het nieuwe stelsel. Nu de minister veel verantwoordelijkheid legt bij de lagere regelgeving, is transparantie over beleid van belang. Niet in de laatste plaats om van elkaar te leren en geen grote verschillen tussen gemeentes te laten ontstaan. Dat zou ongelijkheid voor de inburgeraars in de hand werken.

Medewerker Taal en Communicatie

Deel dit