25 oktober 2019

Raad van state Centrum_@_The_Hague

Guilhem Vellut

Op 16 oktober 2019 heeft de Raad van State in het voordeel van een inburgeraar geoordeeld die niet binnen de gestelde termijn aan het inburgeringsvereiste had voldaan. De zaak geeft inzicht in de strengheid van het beleid en de beslispraktijk met betrekking tot het opleggen van boetes en het niet kwijtschelden van afgesloten leningen, waarbij het uiteindelijke doel van integratie en participatie in de maatschappij volledig uit het oog verloren is.

De inburgeraar in kwestie had op het moment dat de inburgeringstermijn afliep drie deelexamens op NT2 niveau met goed gevolg afgelegd. Het onderdeel luisteren werd gehaald nadat de inburgeringstermijn was verstreken. De inburgeraar had in eerste instantie een boete van 1250 euro opgelegd gekregen en zijn lening van 7.452,80 werd niet kwijtgescholden. In bezwaar werd de boete verlaagd naar 250 euro omdat de inburgeraar 300 lesuren had gevolgd en één keer examen had gedaan in alle onderdelen. Ter zitting bij de Raad van State werd de inburgeringstermijn met terugwerkende kracht bijgesteld omdat de inburgeraar geen verlenging had gekregen voor de volledige periode die hij in het AZC had doorgebracht. Uiteindelijk is het onderdeel luisteren op NT2 niveau twee maanden te laat behaald.

Het belangrijkste twistpunt in de zaak was de vraag of de late start van de inburgeraar met een taalcursus wel of niet aan hemzelf te wijten was. Hij had zich begin oktober 2014 ingeschreven voor een cursus NT2 maar kon pas half februari 2015 starten. Volgens de minister had hij al in september 2014 kunnen starten met een taalcursus of een taalcursus met een kortere wachttijd kunnen zoeken. De Raad van State besloot echter dat de minister dit standpunt onvoldoende aannemelijk had gemaakt. Om deze reden was er volgens de Raad van State geen sprake van een verwijtbare termijnoverschrijding. Er bestond daarom geen grond voor het opleggen van een boete en het niet kwijtschelden van de lening.

Met deze uitspraak toont de Raad van State zich kritisch over de aannames ten aanzien van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van taalcursussen waarop het beleid is gebaseerd. Dit heeft gevolgen voor de beslispraktijk waarbij voortaan meer onderzoek gedaan zal moeten worden naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van passend en kwalitatief toereikend onderwijs in het individuele geval alvorens overgegaan kan worden op het opleggen van sancties. Stichting Civic heeft onlangs een oproep gedaan aan de minister om een dergelijke onderzoeksplicht neer te leggen in beleidsregels. Deze uitspraak onderstreept de urgentie van een dergelijke beleidswijziging. Stichting Civic kijkt daarom uit naar de reactie van de minister op de oproep van Stichting Civic en deze nieuwe uitspraak.

Coördinator Juridische Zaken

Deel dit